Mijn zoon heeft een bijbaantje in de lokale supermarkt. Nou is dat niet zo’n hele moderne supermarkt maar voor ons in het dorp is het goed genoeg. Een van zijn taken is het dagelijks aanvullen van de melk. Maar hem is wel op het hart gedrukt: controleer eerst of de lading melk wel goed is want we willen de dorpsbewoners niet vergiftigen.

Tja, controleer de melk maar hoe dan? Mijn zoon is niet voor één gat te vangen. Elke dag neemt hij uit een pallet melk een pak, maakt hem open en ruikt er aan. Ruikt het goed, dan gaat de hele lading het vak in, rukt het niet goed dan gaat de hele pallet weg.

Hij kan op deze manier 2 soorten fouten maken: hij kan ten eerste goede melk weggooien of hij kan (2) foute melk niet herkennen en in de vakken zetten.

De eerste fout (dus goede melk onterecht weggooien) noemen we een type I fout ofwel een alfa fout. De foute melk niet herkennen is een type 2 fout (of een beta fout). In deze context is een beta fout ernstiger. Dat noemen we ook wel het consumenten risico. Ook de marechaussee die probeert terroristen van boord te houden wil vooral geen beta fouten maken. Een type I fout betekent hier dat we ten onrechte een onschuldige reiziger niet aan boord laten.

In ons rechtssysteem vinden we een type I fout ernstiger. Maken we die fout wel dan zetten we een onschuldige burger in de gevangenis. Een type II fout zou dan betekenen een boefje niet veroordelen.